Op audiëntie bij Khomeini

Parijs, najaar 1978. Het is een stralende nazomerochtend wanneer ons NOS-bestelbusje zich in beweging zet. We hebben een rit van ruim een uur voor de boeg, met als bestemming het dorpje Neauphle-le-Château. Het is de woonplaats van ayatollah Khomeini, sinds zijn gedwongen vertrek uit de Iraakse stad Najaf. De avond tevoren zijn we vier man sterk uit Amsterdam komen aanvliegen. Geluidsman Stefan zit nu achter het stuur van het busje met naast hem de cameraman. Op de achterbank krijg ik van regisseur Arno de laatste instructies voor onze televisiereportage. De oude baas uit Iran is bepaald geen talenwonder, zo weet hij. De man kent Engels noch Frans, en spreekt behalve zijn moedertaal alleen wat klassiek Arabisch. ‘Daarom kun jij hem mooi in het Perzisch interviewen! Zonder dat die eigengereide woordvoerders voor ons hoeven te tolken!’ Arno kijkt me stralend aan.

En ik, ik kan wel kotsen van de zenuwen. Zou Khomeini mij wel te woord willen staan? En hoe moet je zo iemand aanspreken? ‘Meneer ayatollah’ klinkt me rijkelijk mallotig in de oren. Misschien djenab-ali (uwe excellentie)? Of, nog deftiger, hazrat-ali (uwe eminentie)?

Aangekomen in Neauphle-le-Château vinden we met moeite een parkeerplaats tussen de talrijke busjes met satellietschotels op het dak. Er heerst een opgewonden, kermisachtige stemming. Zo ziet het zenuwcentrum van de Islamitische Revolutie er dus uit. Een dorpshuis langs de provinciale weg, met een appelboom in de tuin en een grote partytent voor de ontvangst van het massaal toegestroomde persvolk. Khomeini zelf is nergens te bekennen. We worden te woord gestaan door zijn drie medewerkers: Banisadr, Kotbzadeh en Jazdi. Uit flarden Perzische conversatie vang ik op dat Khomeini hier kortweg wordt aangeduid als aqa, meneer, (‘meneer is aan het bidden’, ‘meneer gaat even rusten’).
Regisseur Arno speelt het klaar om binnen tien minuten hooglopende ruzie te krijgen met Sadek Kotbzadeh, de meest bazige van Khomeini’s woordvoerders en de enige die goed Engels spreekt. Van een privé-interview zal geen sprake zijn, krijgen we te horen. Er komt een reeks korte persconferenties van tien minuten, waarvoor steeds drie, vier televisieploegen tegelijk de tent in mogen. Voor de vertaling zal Kotbzadeh hoogstpersoonlijk zorgen. Eigen tolken hoeven dus niet mee naar binnen. Waarom zouden ze ook? Mankeert er soms wat aan zijn vertalingen? ‘Niets van aantrekken, hoor,’ fluistert Arno me later in het oor. ‘Je gaat gewoon mee de tent in. Zeg maar dat je bij het geluid hoort of zo. Dan zien we wel hoe het loopt.’

Trillende stem

Twee uur later zijn we daadwerkelijk in de tent, samen met een Noorse en Japanse televisieploeg. Langdurig gerommel met statieven, camera’s en microfoons, terwijl de oude baas zich nog steeds niet heeft vertoond. En dan, sinterklaasje kom maar binnen met je knecht, gaat een flap van het zeildoek omhoog en schuifelt hij samen met Kotbzadeh de tent in. Het geroezemoes verstomt. Grimmig en imposant als immer installeert Khomeini zich in kleermakerszit op de grond. Terwijl de camera’s beginnen te snorren, word ik in mijn zij gepord. ‘Toe nou!’ hoor ik Arno achter me sissen. ‘Begin maar! Vraag maar wat!’

Met trillende stem stel ik mijn eerste vraag. Iets over de rol van het nieuwe parlement en het aanstaande referendum. De oude man kijkt met nors vorsende blik seconden lang in mijn richting. Eén wenkbrauw gaat licht omhoog. Waarom heeft die blonde Hollander zo goed Perzisch geleerd? Een hoge spion wellicht, klaargestoomd voor een undercoveroperatie in Iran? Of een agent van de sjah, die jarenlang aan het keizerlijk hof heeft vertoefd?

In mijn zenuwen hoor ik hem nauwelijks antwoorden, maar later in de studio blijkt hij zich uiterst op de vlakte te hebben gehouden. Enige verrassende uitspraken zijn in dit interview niet gevallen, noch tegenover ons, noch tegenover de collega’s uit Japan en Noorwegen. Een kwartier later maant Kotbzadeh met een handgebaar tot stilte. Tamam shod? (zijn we klaar) vraagt Khomeini. Na Kotbzadehs bevestiging komt hij rap uit zijn kleermakerszit overeind — op eigen kracht, met een voor een zeventigjarige wonderlijke lenigheid — en verdwijnt zonder te groeten naar buiten. Einde interview. Meneer gaat nu even rusten.

Onverzettelijke trots

Ayatollah Khomeini — wie had vóór 1978 ooit van de man gehoord? Opeens was hij er, niet voorspeld door enige buitenlandse deskundige. In Iraanse bronnen was ik zijn naam wel eens tegengekomen als leider van het religieuze verzet tegen de landhervormingen door de sjah in 1963. Hij resideerde toen in het stoffige Qom, enkele honderden kilometers ten zuiden van Teheran, en werd na de protesten rond de Witte Revolutie verbannen naar Irak.

Inmiddels maakt het woord ayatollah (door ons uitgesproken met die malle nadruk op de derde in plaats van de vierde lettergreep: parasollen, in plaats van paranormaal of maniakaal) een goede kans om opgenomen te worden in de volgende editie van de grote Van Dale: ‘Visionair maar hardhandig leider. Voorbeeld: hij is de ayatollah van Groningen’.

Sinds zijn verblijf in dat Franse voorstadje werd Khomeini wereldnieuws. Op duizenden kilometers afstand velde hij per cassettebandje een overrompelde monarchie. In verbluffende, historisch ongeëvenaarde betogingen verklaarden vijf, zes miljoen Iraanse demonstranten wekelijks hun loyaliteit jegens een leider die in 1976 nog door de sjah ‘van geen betekenis’ werd geacht. ‘Hij heeft alleen enige invloed onder terroristen. Soms roepen die zogenaamde marxistische islamieten zijn naam aan.’
In die eerste maanden kwam Khomeini nog heel behoorlijk bij ons over. Een beetje merkwaardig, die oude man met zijn lange baard, altijd somber prevelend in onbegrijpelijke talen en omringd door buitenzinnig devote volgelingen. Veel te lachen viel er niet met de ayatollah. Maar hij straalde tegelijkertijd een onverzettelijke trots uit die respect inboezemde. Met zijn terugkeer naar Iran, januari 1979, is die publicitaire welwillendheid snel omgeslagen. De bejaarde underdog werd Khomeini de Verschrikkelijke. Persberichten schetsten de kater van een weggegooide, vergeefse revolutie, en het nieuwe regime ontving binnen enkele maanden zijn eerste briefkaarten van Amnesty International.

Khomeini’s nieuwe bestel heeft het westers politiek fatsoen tot in zijn wortels geraakt. Niet zozeer door zijn praktijkschendingen van mensenrechten (want die hoeven niet onvergeeflijk te zijn), maar door zijn weigering er zelfs maar lippendienst aan te bewijzen. Je zou dit zijn Khaddafi-effect kunnen noemen: de ongegeneerde, honende verwerping van liberale vanzelfsprekendheden als vrijheid en vooruitgang. Het khomeinisme belooft geen democratie en mensenrechten. Die woorden willen ze in Teheran en Qom niet eens horen, want die zijn door en door besmet. De publicitaire zorg van Neauphle-le-Château is veranderd in een ijzige, kregelige onverschilligheid jegens buitenlandse opinies en adviezen. De figuur van ayatollah Chalchali, gedurende enige jaren hoofd van de islamitische tribunalen, bood daarvan een extreme illustratie. Chalchali was de handenwrijvende hanging judge van de revolutie, internationaal vermaard sinds zijn oproep aan ex-keizerin Farah Diba om haar doodzieke echtgenoot om te brengen en zodoende gratie voor zichzelf te verdienen. Chalchali was de vleesgeworden karikatuur van ons fair trial: ’Hoe lang sleept de Kennedy-affaire inmiddels? Tien, twintig jaar? Ik berecht in tien minuten. Proces, vonnis, executie — alles binnen het kwartier!’

Licht der Ariërs

De sjah. Ach, de sjah. Koning der Koningen, Licht der Ariërs. Zouden ze hem al een beetje missen in Iran? Op 16 januari 1979 heeft hij zijn land verlaten, luttele dagen voor Khomeini’s triomfantelijke terugkeer in een met verslaggevers volgepropte jumbojet. Daarna was hij binnen de kortste keren dood. Net als zijn vader destijds in Zuid-Afrika. Sjahs in ballingschap willen kennelijk niet best gedijen.

Het was een bittere finale van een gruwelijk leven. Zo gruwelijk als zelfs een veelvoud van zijn miljardenfortuin niet zou kunnen vergoeden. Hofintimi hebben verslag gedaan van zijn laatste maanden in Teheran. Hoe in het najaar van 1978 het doek langzaam begint te zakken en de keizer aan het twijfelen slaat — voor het eerst in twintig jaar. Waarom heeft men hem niet willen begrijpen? Hij heeft verbijsterd gereageerd op de eerste, schuchtere adviezen om het land te verlaten (‘een paar weken vakantie, Sire…’). Is het daar allemaal om begonnen? Hebben ze het werkelijk op zijn persoon gemunt? De laatste maanden heeft hij doorgebracht in eenzaam, broedend onbegrip, raaskallend over de meest potsierlijke samenzweringen tegen zijn troon. Het Licht der Ariërs is wrokkend bezig te doven, terwijl keizerin Farah de laatste regelingen treft met premier Bachtijar.

‘Meester, uw paard en laat mij spoorslags gaan / Voor de avond nog bereik ik Isfahan.’
Isfahan zou hij nooit bereiken. De Dood wacht in Cairo en ziet hoofdschuddend toe hoe hij voortraast over vier continenten en zich uitstrekt op een dozijn operatietafels. Bijna achttien maanden nog: op zondag 27 juli 1980 is de missie van deze sjah eindelijk volbracht.

Zwartgeblakerde bioscopen

Teheran, november 1979. In het vliegtuig naar Iran. Mijn achtste bezoek sinds 1971, het eerste na de revolutie. Een sjahloos Perzië, wat moet een mens zich dáár bij voorstellen? Kranten bieden sombere reportages uit Iran. De nieuwe tirannie, dreigende burgeroorlog, the joyless revolution. Om maar te zwijgen van vreemdelingenhaat en anti-westerse gevoelens. Zal ik wel veilig zijn in Teheran?

Op de laatste etappe, van Amman naar Teheran, beginnen de zenuwen echt toe te slaan. De Boeing is zo goed als leeg. Allicht, overweeg ik grimmig. Verstandige mensen vliegen ergens anders heen, of blijven gewoon thuis. Ik stel me de keiharde ondervraging voor die straks bij de douane zal plaatsvinden, en hoe ik de mensen moet overtuigen van mijn fatsoenlijke intenties. Met als enig document die malle, quasi-officiële introductiebrief die ikzelf op briefpapier van de universiteit heb opgesteld. Keurig uitgetypt in het Perzisch en het Engels, en van boven tot onder indrukwekkend bestempeld. Stel dat het toch fout loopt, zou ik dan de Nederlandse ambassade kunnen bellen?
We landen om half negen ’s ochtends. Zo op het oog ben ik de enige buitenlander aan boord. Het vliegveld is niet opvallend veranderd. Iets minder militaire bedrijvigheid misschien: destijds vlogen de F-14’s je hier om de oren, dwars door het passagiersverkeer heen. Revolutionaire wachters zijn nergens te bekennen. De paspoortbalies worden bemand door zwartgesluierde jonge meiden. Ik passeer de controle, til mijn koffer van de lopende band en loop dan langs de douane naar buiten. Binnen een kwartier zit ik in een taxi richting Teheran. Het gaat hier godbeteret nog vlotter dan op Schiphol. Geen mens die enige interesse heeft. Noch voor mijn bagage, noch voor mijn reden van komst. Zonde van die chique brief.

Vanuit de taxi zie ik dat Avenue Eisenhower, de zesbaansweg tussen vliegveld en stad, van naam is veranderd: Chiaban Azadi (Vrijheidslaan). Halverwege de stad passeren we het Shahjad-monument, die futuristische Eiffeltoren die de sjah in 1971 liet bouwen voor zijn Persepolisfestijn (‘2500 jaar Iraanse monarchie’), en die nog steeds intact blijkt. Een monument van buitenzinnige, hemeltergende Pahlawi-hoogmoed. ‘The Palace that to Heav’n his pillars threw / And Kings the forehead on his threshold drew…’ Genoeg! De imam houdt niet van rijmelarij, en zeker niet van die van alcoholische types als Chajjam.

We zijn in het centrum aangekomen en het verkeer heeft zijn alledaagse, oorverdovende volume bereikt. Het straatbeeld is wat ik mij had voorgesteld. Een aantal zwartgeblakerde bioscopen en supermarkten, sokkels zonder standbeelden, en afbeeldingen van Khomeini. Heel veel afbeeldingen, méér dan ik ooit van de sjah heb gezien. De imam op autostickers, op huizenhoge affiches, op spandoeken over de hele straatbreedte, met sjablones op de muur geschilderd en in tapijten geweven. En verder overal graffiti, vroeger een hoge zeldzaamheid. Nu lijkt elke vierkante meter blanco muur overwoekerd met politieke leuzen. Sommigen zijn in het Engels. Een en al bevlogenheid, maar aandoenlijk klungelig gespeld. ‘Carter is puppet of zionistry!’ ‘Dawn with imperialism!’

Het is nog steeds vijf mei in Teheran. Op straat hangt een uitbundige sfeer van bevrijding. Vergeleken met vroeger zijn de mensen erg mededeelzaam en vertrouwelijk. Alsof het politieke bedrijf opeens kosjer is geworden en de mensen zich voor het eerst verbonden voelen met hun overheid. Een notie van citizenship, van bereidheid om offers te brengen voor de gemene zaak. Ontluikend burgerschap of zo — hoe embryonaal ook nog en hoezeer ook overdekt met revolutionaire romantiek.

Afrekening

Waar ik in Teheran niets van heb gemerkt, dat is die voorspelde revolutie-kater. Waarom is het nieuws in onze media toch zo naargeestig geweest? En hoe kan die Newsweek-correspondent ooit de indruk hebben gekregen dat de Perzen alle lust tot lachen zou zijn vergaan?

In de buurt waar ik destijds gewoond heb, word ik stralend onthaald door oude kennissen. Mister…!! De jongens die vroeger achter de toonbank bij de bakker of de apotheek stonden zijn nu lid van het Khomeini-comité, de plaatselijke ordedienst. Ze hebben hun baarden laten staan en dragen wapens. Ik word uitbundig omhelsd, en daarna staan we elkaar schutterig wat aan te grijnzen. Alsof die hele Islamitische Revolutie één grote mop is geweest. Ik word meegetroond naar de moskee, waar het comité gevestigd is. In de hoek staan uzi-mitrailleurs achteloos tegen de muur. Er wordt thee geserveerd. Zou ik zin hebben om vanavond mee te gaan op patrouille door de wijk? Controleren of de dames wel fatsoenlijk gesluierd zijn?

Erg lang hebben de wittebroodsweken niet geduurd. Krap een jaar later begonnen de bomaanslagen tegen het nieuwe bewind, waarbij leidende ayatollahs als Behesjti en Bahonar om het leven kwamen. Daarna volgde de afrekening met de seculiere en linkse coalitiegenoten uit het antisjah-front, een eindeloos voortslepende bezetting van de Amerikaanse ambassade (‘spionnennest’), de Rushdie-affaire, een reeks onbekommerd gemanipuleerde referenda en verkiezingen, en een uiterst bloedige, acht jaar durende oorlog met Irak. In 1988 heeft Khomeini met de grootst mogelijke weerzin (‘een gifbeker die ik heb moeten leegdrinken’) zijn handtekening gezet onder de beëindiging van deze djang tahmili (‘ons opgedrongen oorlog’), waarin agressor Irak de steun genoot van zowel Europa als de Verenigde Staten. Kort daarna is de imam een bittere dood gestorven.
Zijn Islamitische Republiek heeft hem nu twintig jaar overleefd en toont, ondanks alle westerse boycots en zorgelijke persberichten, geenszins tekenen van verval.

Gert de Vries is iranist. Na een langdurig studieverblijf in Iran heeft hij tussen 1975 en 1990 onder het pseudoniem V. Gerritse journalistieke stukken geschreven voor o.a. De Volkskrant, Haagse Post, Intermediair en NRC Handelsblad. Tegenwoordig is hij werkzaam als tolk Perzisch voor Justitie en als literair vertaler.