Annemarike Stre...
De roep om deelname van wetenschappers aan het maatschappelijke debat klinkt steeds luider. Het risico is dat ze onderdeel worden van een steekspel. En onwelgevallige kennis leidt al snel tot wantrouwen.
‘Wilders manipuleert Koranteksten’. Dat stelden zes experts op het gebied van de koran, de islam en het recht begin februari in een open brief aan het Openbaar Ministerie. De wetenschappers, Fred Leemhuis, Jan Michiel Otto, Gerard Wiegers, Pieter Sjoerd van Koningsveld, Ruud Peters en Marlies ter Borg, schreven dat Geert Wilders zich ‘suggestief en misleidend’ uitlaat. Het schrijven was een reactie op het verzoek van de PVV-leider om een aantal islamdeskundigen als getuige-deskundige toe te laten bij het proces. De deskundigen wilden de door Wilders kennelijk nagestreefde waarheidsvinding dienen door punten naar voren te brengen gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek.1
Een andere bijdrage aan deze waarheidsvinding leverden de islamdeskundigen Marjo Buitelaar en Léon Buskens.2 Zij gooiden het over een andere boeg en betoogden dat Wilders’ weergave van korancitaten misleidend is, maar dat het weinig nut heeft te discussiëren over wiens interpretatie de juiste is, omdat politieke en sociale omstandigheden bepalen hoe gelovigen religieuze teksten interpreteren. ‘De waarheid’ over de islam — of andere godsdiensten — bestaat helemaal niet, stelden de opstellers.
Deze ingezonden stukken illustreren de maatschappelijke en politieke relevantie van onderzoek naar de islam. Islamwetenschappers schreven de afgelopen jaren wel meer opiniestukken over actuele kwesties, of traden op als spreker bij debatten. Toch klinkt nog steeds de roep om deelname van wetenschappers aan het maatschappelijke debat. Wetenschappers trekken zich het verwijt te veel in hun ivoren toren te zitten aan. ‘Waar waren wij in het debat?’ vraagt Jan Michiel Otto zich af sprekend over de periode na 9/11, waarin ongenuanceerde uitspraken over de islam hoogtij vierden.3
Oproep
Job Cohen, lijsttrekker voor de PvdA en als zodanig kandidaat-premier, riep afgelopen oktober, toen dus nog burgemeester van Amsterdam, wetenschappers op deel te nemen aan het maatschappelijke debat. In een pleidooi bij de openingsconferentie van het LUCIS getiteld ‘Islam, wetenschap en beleid’ zei hij: ‘De wetenschap heeft hier uitdrukkelijk een taak en zou zich mede ten doel moeten stellen al die verschillende opvattingen en inzichten die er in en over de moslimwereld bestaan, nadrukkelijk over het voetlicht te brengen, zodat het maatschappelijke debat evenwichtiger wordt.’ Dat de wetenschappelijke kennis onvoldoende tot politiek en media doordringt, leek hem niet alleen een zaak van politici en journalisten, maar ook één die de wetenschap zich moet aantrekken.
Cohen formuleerde vervolgens een aantal vragen waarvan hij wenste dat wetenschappers er antwoord op zouden geven: is de islam een gewelddadige religie, islamiseert Nederland, en zo ja, wat zijn de consequenties daarvan, rukken de extremistische varianten van de islam op, verdraagt de islam zich met een westerse democratische rechtstaat, of ruimer: kan een moslimland democratisch zijn? En wat willen moslims in Nederland als het gaat om hun participatie en integratie in de Nederlandse samenleving?
Naar al deze onderwerpen wordt al jaren onderzoek gedaan, was de tegenwerping van een aantal wetenschappers. ‘Gemiste kans’ stelde antropologe Lenie Brouwer. ‘Over bovenstaande onderwerpen is al heel veel gepubliceerd en de meeste bestaande stereotypen zijn al lang doorgeprikt. Het probleem met deze populistische vragen is, dat Cohen op deze manier nu juist de negatieve beeldvorming reproduceert die hij zegt te willen bestrijden.’4
Inderdaad zijn allerlei aspecten van het leven van moslims in Nederland door met name antropologen onderzocht: hoogopgeleide migrantendochters, bekering tot de islam, jeugdliteratuur, internet, hoofddoeken en islamitische mode, moskeebouw, huwelijkskeuze, jeugdcultuur en muziekscènes, radicalisering en deradicalisering. ‘Heeft Cohen zijn huiswerk wel gedaan?’, vroeg antropoloog Martijn de Koning zich dan ook af. Volgens De Koning had eigenlijk de vraag gesteld moeten worden hoe wetenschappers zich moeten verhouden tot een onderwerp dat zo door en door gepolitiseerd is. ‘Wanneer bepaalde pleidooien en onderzoeken op een dusdanig valse en leugenachtige manier onderuit gehaald worden, krijgt een dergelijk onderzoek dan nog wel een eerlijke kans?’5
Deze laatste vraag lijkt ook direct van toepassing op het pleidooi van Cohen zelf: de reacties daarop bevestigt hoe gepolitiseerd het debat is. Peter Bergwerff prees in het hoofdredactioneel van het Nederlands Dagblad Cohens oproep, maar gaf die weinig kans. ‘De vraag is echter of de polarisatie inmiddels al niet zo sterk is, dat zo’n oproep nog kan aanzetten tot de “bekering” van brede lagen van de samenleving tot een meer genuanceerde kijk.’6 De polarisatie bleek ook uit een aantal reacties van wetenschappers en columnisten. Terwijl islamdeskundige Ruud Peters zich niet aangesproken voelde en de media verantwoordelijk hield voor de aandacht voor radicale uitzonderingen, liet Arabist en islamoloog Hans Jansen zich desgevraagd ontvallen dat Cohen blijkbaar niets van de islam weet.7 Columnist Theodor Holman vond al dat onderzoek totaal overbodig (‘Islamologen kunnen Cohen elk gewenst antwoord geven. Ook het tegendeel, trouwens.’) en kwam zelf met een islamkritisch literatuurlijstje voor Cohen.8
Steekspel
Columniste Amanda Kluveld zag in Cohens toespraak een oproep aan wetenschappers om vooral de positieve kanten van de islam te laten zien en stelde de vraag of wetenschappers hem nu op zijn wenken zouden gaan bedienen. Dan zou de wetenschap aan de leiband van de opinie lopen.9 Dit illustreert dat de wetenschapper al snel onderdeel wordt van een steekspel: als hij niet aansluit bij maatschappelijke kwesties zit hij te veel in de ivoren toren, maar als hij zich wel in het debat mengt kan hem verweten worden zijn oren te veel naar het ene of het andere belang te laten hangen. Als de wetenschap antwoord geeft op de roep om kennis vanuit de samenleving, dan wordt ze al snel gewantrouwd als die kennis de maatschappij niet past.
Dat gebeurde bijvoorbeeld in 2006 met het WRR-rapport ‘Dynamiek in islamitisch activisme’. Dat werd in de politieke discussie door vrijwel alle politieke partijen weggezet, terwijl een inhoudelijke discussie over het onderzoek dat aan het rapport ten grondslag lag nauwelijks van de grond kwam. Dat kwam onder andere, zei Wendy Asbeek Brusse, momenteel directeur van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid op de openingsconferentie van LUCIS, door het uiterst gepolariseerde klimaat na 9/11 en de moord op Theo van Gogh. Daarin was nauwelijks ruimte voor nuancerende geluiden. ‘De reacties [in de] media en onder het publiek waren dan ook extreem positief én negatief. De kern van de kritiek was dat de raad naïef, apologetisch en onwetenschappelijk was.’10
De politieke en maatschappelijke ontvangst van wetenschappelijke rapporten geeft aan dat de maatschappelijke relevantie van het onderzoeksonderwerp de onderzoeker ook kwetsbaar maakt. Van de resultaten hangen immers politieke belangen af; onderzoekers opereren dus in een spanningsveld waarin verschillende belangen, niet alleen wetenschappelijke, een rol spelen. Dat geldt nog sterker wanneer niet de universiteit, maar de overheid of een maatschappelijke organisatie opdracht tot onderzoek geeft.
Wie betaalt bepaalt
Thijl Sunier, hoogleraar Islam in Europa aan de VU, voelde zich geroepen te wijzen op de risico’s van het doen van onderzoek naar maatschappelijk relevante thema’s. ‘Dit veld is door en door gepolitiseerd en wetenschappers kunnen niet doen of ze daarboven staan.’11
Afgelopen november, een maand na Cohens oproep, sneed hij het onderwerp aan in zijn oratie. Anders dan Kluveld, die in haar stuk met slecht onderbouwde verdachtmakingen aan het adres van enkele wetenschappers komt, was het niet Suniers bedoeling de onafhankelijkheid van wetenschappers ter discussie te stellen. Die zullen hun resultaten niet laten bepalen door hun opdrachtgevers, maar wel hun onderzoeksvragen. Hij signaleert het gevaar van blikvernauwing: wetenschappers laten zich bij hun onderzoeksagenda te veel leiden door de beleidsprioriteit van opdrachtgevers, namelijk integratie. ‘Terwijl de islam door beleid en publiek wordt beschouwd als de sleutel tot het begrijpen van wat zich onder migranten met een islamitische achtergrond afspeelt, is de ontwikkeling van geloofsbeleving en geloofspraktijk onder moslims eigenlijk geen onderwerp van onderzoek.’12
Omdat de universiteiten zelf minder geld te besteden hebben wordt het voor wetenschappers steeds urgenter om subsidies voor onderzoek binnen te halen via de zogenaamde tweede en derde geldstromen. De tweede geldstroom is de financiering van onderzoeksprojecten door nationale of internationale wetenschappelijke organisaties, waarvan NWO in Nederland de belangrijkste is. Ook daar is maatschappelijke relevantie een criterium. De afgelopen jaren werd een aantal grote projecten gehonoreerd die de islam, in het bijzonder islam in Nederland, als onderwerp hadden.13
Daarnaast is door de afgenomen middelen voor onderzoek aan de universiteiten derde-geldstroomonderzoek, onderzoek in opdracht, steeds belangrijker geworden. Gemeenten, ministeries en maatschappelijke organisaties laten wetenschappers onderzoek doen op specifieke beleidsterreinen. Daarnaast kennen ook andere organisaties waarvoor wetenschappelijk onderzoek geen kerntaak is onderzoeksprojecten op het gebied van het Midden-Oosten, zoals Hivos en het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Suniers waarschuwing illustreert dat het vakgebied en de academische gemeenschap zich de afgelopen decennia al steeds meer op maatschappelijke vraagstukken hebben gericht. Zowel de universiteiten als nationale en internationale wetenschappelijke organisaties zijn maatschappelijke relevantie belangrijker gaan vinden. Daarmee is ook de aandacht voor de islam toegenomen. Universiteitsbestuurders zien de islam als een onderwerp waarmee ze kunnen scoren onder studenten, in de media en bij de politiek. Met een studie islam kan bovendien een zieltogende faculteit theologie nieuw leven worden ingeblazen.
De universiteiten waar van oudsher de islam en het Midden-Oosten worden bestudeerd hebben de afgelopen jaren geïnvesteerd in opleidingen specifiek gericht op de islam. Soms ging dit ten koste van de traditionele taal- en cultuurstudies in de letterenfaculteiten. Opleidingen Arabisch, Perzisch en Turks zijn de afgelopen jaren opgeheven of ingekrompen.14 De opleiding Arabisch in Nijmegen liep enkele jaren gevaar, en is nu voorlopig gered door haar onder te brengen in de Faculteit Religiewetenschappen. Ook in Utrecht valt de afdeling Arabisch inmiddels onder het departement Godgeleerdheid. In Leiden bestaat naast de opleidingen Arabisch, Perzisch en Turks al enige jaren een opleiding Islamitische theologie onder het Instituut voor Religiewetenschappen. Deze opleiding is opgezet als eerste onderdeel van een opleiding tot imam dat dan gevolgd zou moeten worden door een opleiding door de moskee-organisaties. Daarnaast hebben de VU en Hogeschool InHolland een opleidingstraject tot islamitisch geestelijk verzorger.
Religieus perspectief
Het maatschappelijke en wetenschappelijke belang van de studie van de islam bewoog het ministerie van Onderwijs eind jaren negentig tot de oprichting van een internationaal instituut, ISIM. Doordat verschillende deelnemende universiteiten zich terugtrokken en het ministerie de financiering stopzette heeft ISIM begin 2009 de deuren moeten sluiten.
Inmiddels heeft het ministerie besloten het Nederlandse islamonderzoek ook in de toekomst te zullen ondersteunen, zij het in een andere vorm. Het financiert nu een onderzoeksschool voor islamstudies, waarin acht universiteiten samenwerken (isis). Die onderzoeksschool is vooral gericht op het opleiden van masterstudenten en promovendi en het faciliteren van onderzoeksaanvragen van wetenschappers. Daarnaast heeft het College van Bestuur van Universiteit Leiden besloten tot oprichting van een nieuw Leids kenniscentrum voor islam en samenleving, LUCIS.
Tot op zekere hoogte is de roep om meer maatschappelijk relevant islamonderzoek dus achterhaald. Hoogstens zouden wetenschappers meer naar buiten kunnen treden met hun resultaten en zich meer in kunnen spannen om deze begrijpelijk te maken voor een breed publiek. Ondertussen wordt de studie van de islam en moslimsamenlevingen langzamerhand steeds meer verengd tot een religieus perspectief. Zoals Nederlanders met een moslimachtergrond tegenwoordig vóór alles als moslims worden gezien, wordt vrijwel alles wat zich in moslimlanden en moslimgemeenschappen afspeelt tot godsdienst gereduceerd. Job Cohen en Geert Wilders menen beiden dat kennis van de islam nodig is om maatschappelijke problemen op te lossen. Die kennis is zeker nodig. Maar wordt het niet eens tijd dat we ons bezig houden met andere zaken? Kennis van politieke, economische, sociale, culturele en historische aspecten is evengoed onontbeerlijk, al was het alleen maar om het relatieve belang van godsdienst te kunnen inzien.
Annemarike Stremmelaar is hoofdredacteur van ZemZem.