Jeroen Kramer
Room 103
Groningen: Aurora Borealis, 2009
72 pag. € 27,50
Pas op pagina 23 komt de eerste hoofddoek voor en de kaft doet ook niet meteen vermoeden dat het hier gaat om een fotoboek over het Midden-Oosten. Toch kan er na het openslaan van Room 103 weinig twijfel over bestaan waar fotograaf Jeroen Kramer zijn onderwerpen vandaan heeft: zijn teksten zijn specifiek gebonden aan de regio, al zijn de foto’s dat aanvankelijk niet.
Het is één van de vele tegenstrijdigheden in het boek, dat daardoor niet altijd even toegankelijk is. Het is een werk dat niet tot zijn recht komt na even snel doorbladeren, het moet langzaam bezinken. Hoewel de teksten voor zo’n uitgesproken fotografisch werk niet essentieel zijn, dringen ze zich op vanwege de andere sfeer die eruit naar voren komt. Waar de beelden op een subtiele manier omgaan met verschillende aspecten van de dagelijkse realiteit in het Midden-Oosten zijn de teksten vol pathos en persoonlijke klaagzangen.
De foto’s zelf, waar het allemaal om draait, zijn echter evenmin makkelijk in een categorie onder te brengen. Uit het hele boek spreekt niet alleen een wens tot transformatie — Kramer verbergt niet dat hij af wil van de persfotografie waar hij de afgelopen jaren zijn brood mee heeft verdiend en meer de kunstkant op wil — het is ook het opzettelijk eigenzinnige werk van een fotograaf die zich niet graag een predikaat wil laten opplakken.
De beelden zijn grosso modo in drie categorieën te verdelen: persfoto’s, beelden van de Midden-Oosterse samenleving en de latere, vrijere onderwerpen zoals landschappen of architectonische details die Kramers pad weg van de persfotografie aanduiden. En zelfs binnen de categorie persfoto’s is een onderscheid te maken tussen de beelden die we al duizenden keren gezien hebben, het dagelijks brood van fotografen in oorlogsgebied zoals slachtoffers van aanslagen en bombardementen, en de meer specifieke, haast poëtische aanpak waar Kramer in uitblinkt en waarin ook al een aanzet te zien is naar zijn andere werk.
Het is juist de tegenstrijdigheid in het boek en ook binnen de individuele beelden die het werk tot iets anders maakt dan weer een etalage voor de vreselijke oorlogsbeelden of weer een fotograaf die laat zien wat hij allemaal heeft moeten aanschouwen of weer een boek met de makkelijk herkenbare beelden uit het Midden-Oosten. Op de kaft van Room 103 prijkt een foto van een Palestijns vluchtelingenkamp in Libanon maar het had iedere willekeurige sloppenwijk in de wereld kunnen zijn. Specifiek is slechts de ingebouwde tegenstelling, het gele licht uit een kamer in een donker wordend grauw, blauw blok, één inwoner die vanuit het licht over het balkon leunt.
Velen denken langzamerhand het Midden-Oosten te kennen, dat is een van de gevolgen van 9/11 en de daaropvolgende ontwikkelingen en wellicht ook een gevolg van de grotere aandacht voor migranten uit de regio in de Westerse samenlevingen. We zijn het afgelopen decennium overstroomd met informatie uit de regio, in tekst en beeld, wat de illusie wekt dat we weten wat er in het gebied gebeurt en hoe het er uitziet. Toch komen de meeste persfoto’s niet verder dan het cliché van de vrouw met het hoofddoekje, een moskee, een volgeladen ezel. Of het is juist het beeld van de opmars van de moderniteit, glimmende wolkenkrabbers in Dubai, olieleidingen in Saoedi-Arabië of schaars geklede vrouwen in een Libanese disco.
Tol
De foto’s van Kramer verraden dat hij meer dan een toevallige voorbijganger is in de regio. Hij woont er nu bijna tien jaar, eerst in Damascus en sinds vijf jaar in Beiroet. Kramer deed onder andere verslag van de tweede Palestijnse intifada en van de Amerikaanse invasie in Irak. Regelmatig verschijnt zijn werk in de Volkskrant, The New York Times en Vanity Fair. Het tijdschrift Soera, voorloper van ZemZem, was een van de eerste tijdschriften waarin zijn materiaal werd gepubliceerd. Ook de lezers van ZemZem zijn ondertussen vertrouwd met zijn beelden. Zo verschenen zijn foto’s in Room 103 over bruiloften in Irak in het fotokatern van ZemZem jrg. 2 nr. 2 (2006).
Ieder argument voor het gebruik van amateur-fotografen of stringers door de media veegt hij via zijn werk van tafel. Kramer combineert een professionele, soms bijna koele blik met verdieping. Verdieping die alleen tot stand kan komen door te investeren in een onderwerp of door inlevingsvermogen. Het zijn kwaliteiten waar de media, onder meer vanwege financiële druk, steeds minder om lijken te geven. Maar door niet een adequaat werkmilieu te leveren voor fotografen als Kramer, die inzicht combineren met passie en een bereidheid om in een onderwerp te investeren, verschraalt het beeld dat wij van de wereld binnenkrijgen.
De eerste drie foto’s in het boek maken meteen al duidelijk waar het Kramer om te doen is: een ongedwongen combinatie van een sterk esthetische aanpak en een efficiënte inzet. Het eerste beeld is van een ruwe betonnen trap met daarachter een muur vol spetters, die van een raketinslag kunnen zijn of gewoon van verf. Het blijft in het midden, maar het beeld is tegelijk dreigend en aansprekend.
De volgende foto is van een jongetje tegen een blauwe hemel met idyllische schapenwolkjes waar vlokken, mogelijk pollen, in zweven. Hij lijkt zo weggelopen uit een wasmiddelreclame. Het beeld is echter genomen tijdens de Libanonoorlog van 2006 en het jongetje raapt pamfletten op die door Israël boven zijn woonplaats zijn gedropt. De haast surrealistische schoonheid van de foto en de onschuld van het jongetje halen een groot aantal verwachtingen van wat een oorlogsfoto moet zijn onderuit.
Het derde beeld is een van de slechts twee zwart-wit foto’s in het boek. Daarop is te zien hoe een forse jongeman nonchalant een pistool voor zich uit richt. Naast hem zit een vrouw met lang haar en een ontblote schouder en op de voorgrond staat een ontkurkte fles wijn. Dit is duidelijk een vriendschappelijke situatie en van het pistool gaat zelfs geen dreiging uit. In het bijschrift staat dan ook dat het om een speelgoedwapen gaat. Het beeld vangt de glamour van Beiroet op een ironische manier.
Het zijn voorbeelden van de vele verschillende lagen die er in dit zeer gevarieerde boek zijn te vinden en van foto’s die niet het gebaande pad volgen maar toch ook weer niet verkrampt artistiek of opdringerig zijn. Alleen in de teksten stapt Kramer over een lijn heen die hij in zijn foto’s niet wil overschrijden, die van het trekken van de aandacht, van de mokerslagen in plaats van de subtiliteit. Hieruit komt een ander beeld naar voren dan van de waarnemer, hoe dicht die ook op zijn onderwerp zit. Uit de teksten blijkt vooral de tol die zo’n rol eist voor een geëngageerde fotograaf als Kramer.
Ferry Biedermann is journalist en werkzaam vanuit Beiroet.