De publieke aandacht voor islam biedt voor de wetenschap nieuwe kansen, die Nederlandse onderzoekers zouden moeten aangrijpen. De verwevenheid tussen maatschappelijk belang en wetenschapsbeoefening noopt tegelijkertijd tot kritische bezinning.
De afgelopen dertig jaar heeft zich een ongekende groei in kennis over islam en moslims voorgedaan, zowel wereldwijd als ook in Nederland. Dit blijkt onder andere uit een groot aantal publicaties en promoties. Daarnaast is de laatste jaren in Nederland een aantal afdelingen voor Arabisch en Midden-Oostenstudies omgevormd tot opleidingen voor Islamstudies, met een sterke aandacht voor islam in het Westen. Ook zijn nieuwe instellingen opgericht met islamstudies als specifiek doel, zoals ISIM — helaas inmiddels alweer ter ziele — LUCIS (het in 2009 opgerichte expertisecentrum Leiden University Centre for the Study of Islam and Society), en ISIS (Interuniversitair Samenwerkingsverband Islamstudies, in 2010 opgericht door acht Nederlandse universiteiten met steun van het Ministerie van OCW).
De groei in de academische studie van de islam hangt samen met een veelheid aan factoren, waarvan ik hier het toenemende maatschappelijke belang van kennis over islam en moslims zal belichten. Islamstudie is opnieuw een nuttig vak geworden, net als in de koloniale tijd, toen Europese staten als kolonisatoren heersten over grote delen van de islamitische wereld. Een belangrijke stimulans voor de studie van de islam buiten Europa vormden de afhankelijkheid van Westerse economieën van de olieproducerende landen in het Midden-Oosten en de Iraanse revolutie van 1979. De regeringen en de bevolking van die landen presenteren zich in toenemende mate als moslims. Hetzelfde geldt voor de Mediterrane immigranten in West-Europa die sinds het einde van de jaren zeventig van gastarbeiders tot moslims werden, zowel in de ogen van de Nederlandse samenleving als van henzelf.
Het einde van de Koude Oorlog was volgens sommige intellectuelen ook het einde van de geschiedenis. Opmerkelijk genoeg kwamen moslims toen opnieuw ten tonele als de ultieme Ander, en vijanden van het Westen, geheel passend binnen een eeuwenoude traditie van wederzijdse stereotypering. Begin jaren negentig maakte de politicus Frits Bolkestein de islam met een reeks voordrachten en krantenartikelen tot een salonfähig onderwerp van politieke zorg. De aanslagen van 9/11 versterkten de aandacht in de samenleving voor de islam als een ‘probleem’ dat een oplossing behoeft.
Ingrijpende veranderingen in de academische islamstudie gedurende de afgelopen decennia springen onmiddellijk in het oog. De aanwezigheid van tweede en volgende generaties moslimimmigranten heeft gezorgd voor grotere studentenaantallen, die vaak kennis uit de eerste hand hebben van talen en culturen van de islamitische wereld, zoals ook al besproken werd op een studiedag van de Vereniging voor de studie van het Midden-Oosten en de islam (MOI) eind jaren tachtig. Aanwezigheid van moslims kan soms gevolgen hebben voor de manier van college geven, waarbij bepaalde onwelgevallige historische visies anathema dreigen te worden. Zo blijken niet alle studenten even gecharmeerd van een historisch-kritische benadering van het ontstaan van de islam, of van een agnostische benadering waarin islam een cultuurelement is zonder metafysische dimensie.
Op de universiteiten is de aandacht in onderwijs en onderzoek gaandeweg verschoven van ‘islam’ naar ‘moslimsamenlevingen’, en van een filologische naar een sociaalwetenschappelijke benaderingswijze.1 Met enige vertraging werkte ook in Nederland de vernietigende kritiek op de traditionele Midden-Oostenstudies door zoals Edward Said deze verwoordde in Orientalism (1978).2
In de veranderde wetenschapsbeoefening krijgen diversiteit en complexiteit van islamitische samenlevingen de nadruk. Essentialisme geldt tegenwoordig als een grote zonde. Karakteriseringen van andere culturen onder verwijzing naar een onveranderlijke, dominante kern gelden niet langer als wetenschappelijk. Met name de antropologische studie van moslims is tot bloei gekomen, met als belangrijke centra Nijmegen en Amsterdam, zowel aan de Universiteit van Amsterdam als aan de VU.3 Aan het begin van het nieuwe millennium kreeg de antropologische studie door de oprichting van het ISIM een extra stimulans. Helaas geniet het historisch perspectief op de studie van de geleefde islam zoals mensen deze in een specifieke maatschappelijke context vorm geven tot nu toe minder aandacht van vakgenoten.
Gaandeweg is ook de islam van in Nederland woonachtige moslims een onderwerp voor sociale wetenschappers en godsdienstwetenschappers geworden. Terwijl aan het begin van de jaren tachtig godsdienst nauwelijks een rol speelde in de studie van immigrantengemeenschappen, lijkt dit nu het belangrijkste aspect van hun bestaan te zijn. We beschikken inmiddels over een reeks belangrijke proefschriften en monografieën over islam in Nederland, zowel over immigranten als over autochtone bekeerlingen. Zowel aan de Universiteit van Amsterdam, als de Vrije Universiteit, de Universiteit Utrecht, en de Universiteit Leiden bestaan opleidingen specifiek gericht op de studie van de islam in het Westen.
Het is opmerkelijk dat deze kennis zo weinig aftrek vindt. Het publieke debat wordt gedomineerd, of zelfs gemaakt, door niet-specialisten, of ze nu een positieve of negatieve visie hebben. Ik richt mij in het navolgende vooral op de negatieve opiniemakers, omdat zij zo toonaangevend zijn, terwijl hun opvattingen sterk afwijken van de inzichten van academische islamdeskundigen. Maar ook voor de ‘positieven’, bijvoorbeeld Job Cohen, Geert Mak, Bas Heijne, en Sjoerd de Jong, geldt dat zij geen specialisten op het terrein van de islamstudies zijn.
Onder de islamcritici zijn de ervaringsdeskundigen spraakmakend. Hun negatieve visie ontleent gezag aan hun eerstehandservaringen, in combinatie met grote retorische vaardigheden en een strategisch gevoel voor netwerken. De bekendste vertegenwoordigers zijn Afshin Ellian en Ayaan Hirsi Ali. Zij construeren een conflict tussen islamitische en Westerse waarden, waarvan ongenuanceerde en generaliserende uitspraken het fundament vormen. Hun persoonlijke ervaringen vormen een onuitputtelijke bron van meningen, bij tijd en wijle aangevuld met verwijzingen naar populariserende overzichten. Het manicheïsche schema van Samuel Huntington van The Clash of Civilisations structureert in belangrijke mate hun denken.
De tweede linie bestaat uit welbespraakte hoogleraren en publicisten die geoefend zijn in normatieve analyses, mede dankzij studies rechtsgeleerdheid en filosofie, zonder dat zij veel kennis hebben over de islam, zoals Paul Cliteur, Herman Philipse en Paul Scheffer. In hun kringen is het werk van Bernard Lewis een gezaghebbende bron, terwijl met name het latere werk van deze hoogbejaarde emeritus uit Princeton als essentialistisch wordt afgeschreven door de jongere generatie islamonderzoekers.4
Het derde echelon bestaat uit meer of minder geschoolde politici als Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en Geert Wilders, die met groot aplomb een negatief beeld van islam en moslims in woord en geschrift hebben verbreid. Bolkestein is een van de weinigen die zich serieus in wetenschappelijke literatuur over de islam heeft verdiept, zij het dat zijn lectuur uiterst selectief is gebleven.
De voornaamste opiniemaker met een wetenschappelijke reputatie op het terrein van de islamologie is Hans Jansen, oud collega van ondergetekende in Leiden, thans emeritus hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Voor veel Nederlanders is hij de kenner bij uitstek van de islam. Hij heeft een grote hoeveelheid publicaties op zijn naam staan en is vaardig in het verwoorden van zijn inzichten voor tal van media. Jansen keert zich in zijn werk regelmatig tegen wat hij als modieuze ontwikkelingen op het vakgebied beschouwt. Hij verkiest de filologie boven de sociale wetenschappen, is een groot bewonderaar van het werk van Bernard Lewis, en beschouwt Edward Said als een valse profeet. In zijn wetenschapsopvatting lijkt het zoeken naar essenties geen zonde. Sinds de jaren negentig speelt bezorgdheid over en angst voor gewelddadige stromingen binnen de islam een toenemende rol in zijn werk. Wilders noemt het werk van Jansen als een bewijs voor de juistheid van zijn visie op de islam, en wil hem oproepen als een van de deskundigen bij zijn aanstaande proces.
Angst
Het publieke beeld van de islam in Nederland wordt gedomineerd door deze opiniemakers met hun essentialistische opvattingen en angst. Wanneer geleerden op basis van empirisch onderzoek tegenwerpen dat er niet één monolithische islam is die aangehangen wordt door alle moslims in Nederland en dat angst een slechte raadgever is, reageren de dominante opiniemakers met verdachtmakingen. Beschuldiging een slecht wetenschapper te zijn omdat men weigert te generaliseren lijkt nog het minste verwijt. Wellicht is de wijdverbreide behoefte aan een essentialistisch beeld van een moslimse vijand slechts een lokale en tijdgebonden manifestatie van een universeel verbreid verschijnsel: de behoefte aan stereotype beelden van een mythische ander om eigen waarden te formuleren. In moslimlanden kennen we dit verschijnsel bij voorbeeld in de vorm van het zogenaamde occidentalisme.5 Uit talrijke historische studies weten we dat moslims als sinds eeuwen de boze buren zijn die Europeanen tot spiegelbeeld dienen om zichzelf te kunnen definiëren, en vice versa.
Deze historische relativering maakt een bijdrage van academisch gevormde islamdeskundigen aan het huidige debat in Nederland over de islam echter niet minder noodzakelijk. De overheid geeft blijk van grote behoefte aan betrouwbare kennis door uitbesteding van tal van onderzoeksprojecten, rechtstreeks via ministeries, of indirect via instellingen als FORUM. Zo zijn er recentelijk opdrachten verstrekt voor onderzoeken naar bij voorbeeld gedwongen huwelijken, eerwraak, polygamie, en informele ‘islamitische’ huwelijken, en allerlei vormen van jeugdcultuur onder moslims. Het is opmerkelijk dat veel van deze opdrachten uitgevoerd worden door juristen of sociologen met een algemene opleiding, zonder specifieke kennis van islam en moslims. Is dergelijke specifieke kennis niet noodzakelijk of belangrijk, of blijft het licht van islamdeskundigen onder de korenmaat?
Naar mijn mening dienen de Nederlandse islamonderzoekers hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen en opdrachten voor beleidsgerelateerd onderzoek actief na te streven. Het feit dat wetenschappelijk onderzoek meer en meer afhankelijk wordt van projectsubsidies en onderzoeksopdrachten (de zogenoemde tweede en derde geldstromen) is slechts één reden. Veel belangrijker is de grote maatschappelijke waarde van de inzichten die de onderzoekers de afgelopen decennia hebben opgedaan.
Door een anti-essentialistisch beeld van een complexe en diverse, context-gebonden beleving van islam te presenteren kunnen onderzoekers het niveau van het Nederlandse debat doen stijgen, en beleidsmakers en politici bouwstenen aanreiken om tot zinnige vragen en mogelijke oplossingen te komen. Aldus bieden geleerden een antwoord aan Job Cohen die in zijn toespraak bij de opening van het expertisecentrum voor islam en samenleving van de Universiteit Leiden (LUCIS) in oktober 2009 vroeg waar de Nederlandse islamonderzoekers in het openbare debat bleven. Aandacht voor maatschappelijke vraagstukken biedt een legitimatie voor werk dat op kosten van de Nederlandse belastingbetaler wordt verricht. Bovendien leveren maatschappelijke debatten ook belangrijke vragen voor nieuw academisch onderzoek.
Integriteit
Hiermee voer ik allerminst een pleidooi voor wetenschap die maatschappelijk relevant of valorisabel moet zijn. Het is goed dat geleerden ook onderzoek doen vanwege het genoegen en de esthetiek van het weten. Wij dienen ons echter goed bewust te zijn dat er alleen maar geld is voor ons werk omdat de samenleving verwacht dat de resultaten ook van maatschappelijk nut kunnen zijn.
De academische studie van de islam ontstond in de negentiende eeuw in Delft en Leiden met het doel om ambtenaren op te leiden om Indië te besturen.6 In andere Europese staten speelden soortgelijke praktische overwegingen een rol. Met het verlies van de koloniën was deze kennis plotseling van geringe betekenis. Olie en immigratie hielpen de islamologie en de antropologie van moslimsamenlevingen er weer bovenop. In plaats van deze maatschappelijke bepaaldheid te verdoezelen kunnen we haar beter tot onderwerp van analyse maken. Drie domeinen dienen zich aan voor nadere beschouwing.
Ten eerste dienen we na te denken over de verhouding tussen academische kennis, normatieve beoordeling, en het bepalen van beleid. Intellectueel zijn dit te onderscheiden en ten dele ook te scheiden bezigheden, die elk eigen opleidingen en vaardigheden vereisen. Het Nederlandse islamdebat zou aan kwaliteit winnen indien specialisten op verschillende terreinen hun eigen beperkingen zouden beseffen en op grond hiervan samenwerking zouden zoeken. Islamonderzoekers weten veel van moslims, maar zijn veelal niet gekwalificeerd voor de normatieve beoordeling van hun bevindingen. Zij zouden ook systematisch moeten nadenken over de vooronderstellingen en maatschappelijke omstandigheden die aan hun onderzoek ten grondslag liggen. Juristen en filosofen zijn opgeleid om na te denken over mogelijke normatieve beoordelingen van maatschappelijke verschijnselen en om verschillende waarden tegen elkaar af te wegen. Zij kunnen het geschoolde publiek uitleggen wat wij van verschillende opvattingen zouden kunnen vinden. Ten slotte is het aan politici om te bepalen voor welke positie de Nederlandse regering kiest en hoe deze normatieve keuze in beleid gestalte krijgt. In een dergelijke keuze schuilt onvermijdelijk een zekere willekeur; veel normatieve beslissingen zijn niet volledig rationeel te funderen. Het debat over deze keuzes kunnen wij daarentegen wel aanzienlijk rationeler voeren, door deze drieslag te expliciteren en elke stap zorgvuldig te overwegen en in het openbaar te bespreken. Ik besef goed dat dit een ideaal is, dat in de praktijk niet zo gestalte kan krijgen, al is het maar vanwege hoogoplaaiende emoties die met dergelijke normatieve kwesties gepaard gaan.
Ten tweede dienen wij de complexe relaties tussen academische vrijheid en onderzoek in opdracht van belangengroeperingen als de overheid zorgvuldig te beschouwen. Over wetenschappelijke integriteit is de laatste jaren veel gezegd, mede omdat opdrachtgevers zoveel belang kunnen hebben bij een bepaalde uitkomst. In onderzoeksethiek spelen de belangen van de onderzochten een primaire rol, hetgeen strijdig kan zijn met het doel van de opdrachtgever, bij voorbeeld wanneer het onderwerpen als radicalisering en terrorisme betreft. Op dit punt kunnen wij veel leren van de geschiedenis van ons vakgebied.
Zoals gezegd is het ontstaan van de islamstudies nauw verbonden met maatschappelijke belangen als de Europese expansie. De discussies die in de jaren zeventig en tachtig gevoerd zijn over leven en werk van Christiaan Snouck Hurgronje, en de daaraan verbonden morele beoordelingen, bieden een interessante casus. Snouck Hurgronje werd van een intellectuele held en een groot man tot een immorele schurk, vanwege de nauwe verwevenheid tussen zijn wetenschappelijke werk met de bloedige koloniale politiek, zijn opportunisme, en zijn onderzoeksmethoden die naar de ethiek van het einde van de twintigste eeuw onder de maat bleken. Zijn terughoudendheid over de grote rol van sleutelinformanten in zijn veldwerk, het afhankelijk van de context aannemen van verschillende religieuze identiteiten, en zijn huwelijken met Javaanse vrouwen leidden tot veel kritiek.7 Het is een illusie dat wij zelf aan het begin van de éénentwintigste eeuw aan een dergelijke maatschappelijke bepaaldheid van ons onderzoek zouden kunnen ontkomen. De enige remedie is reflectie op deze invloeden op ons werk, en op de manieren waarop wij moslims en islam bestuderen.8
Ten derde is de presentatie van onderzoeksresultaten en het in beschrijvingen en beelden vatten van islam en moslims, de zogenaamde representatie, een domein voor reflectie, vanwege de nauwe relatie tussen vorm en inhoud, en vanwege het belang voor het effectief overbrengen van onze bevindingen. Waarom krijgt serieuze islamwetenschap zo moeilijk toegang tot de media? Waarom bestaat het publiek bij wetenschappelijke bijeenkomsten veelal uit dezelfde gelijkgezinde usual suspects? Moeten geleerden zoeken naar andere manieren om hun boodschap over te brengen? Ligt het heil in het volgen van mediatrainingen? Zijn onderzoekers gebaat bij een nauwere samenwerking met (wetenschaps)journalisten en welke consequenties heeft dat voor hun werk? Moeten wetenschappers in plaats van te reageren op debatten en stellingen, veeleer zelf met hun bevindingen in de openbaarheid treden?
De meeste Nederlandse vakgenoten weten uit eigen ervaring hoe moeilijk het is om hun relativerende kennis en genuanceerde opinies over islam en moslims voor het voetlicht te brengen. In de Nederlandse media, net als elders, lijkt een grote behoefte te bestaan aan eenvoudige oneliners, bij voorkeur met een negatieve strekking. Toch helpt het niet om verongelijkt vast te stellen dat wij slechts brengers van onwelkome boodschappen zijn. Zoeken naar toegang tot de massamedia om onze kennis uit te venten blijft een belangrijke opdracht.
Het loont om naar alternatieve vormen van publiciteit te zoeken. Samenwerking met musea zou een vruchtbare manier kunnen zijn om bij een breder publiek wetenschappelijke bevindingen op een aantrekkelijke manier onder de aandacht te brengen. De geslaagde tentoonstellingen over moslimculturen in bij voorbeeld de Nieuwe Kerk en het Tropenmuseum in Amsterdam bieden hiervan goede voorbeelden. De conservator van de afdeling Midden-Oosten van het Tropenmuseum, Mirjam Shatanawi, heeft onlangs een belangrijke bijdrage geleverd aan het representatiedebat door de publicatie van het boek Islam in beeld.9
Samenwerking tussen vakgenoten in Nederland zou veel kunnen bijdragen aan een grotere zichtbaarheid in het islamdebat. In het onderlinge gekrakeel, dat vaak meer van doen heeft met incompatibilité d’humeurs dan met inhoudelijke meningsverschillen, lijken Nederlandse islamonderzoekers de kenmerken van hun onderzoeksgebied over te nemen. De profileringszucht waaraan Nederlandse universiteiten mede dankzij de financieringsregels van de overheid lijden, maken de situatie nog onproductiever. Hopelijk kan het onlangs opgerichte Interuniversitair Samenwerkingsverband Islam Studies (ISIS) een podium bieden waarop Nederlandse onderzoekers op een vruchtbare wijze met elkaar in debat gaan en samenwerken.
Het blijft vreemd om te zien dat de wetenschappelijke kennis over islam en moslims de laatste decennia in Nederland zo is toegenomen, evenals de behoefte aan dergelijke kennis in de samenleving, en dat deze twee ontwikkelingen nauwelijks bij elkaar gebracht kunnen worden. Een klassieke win-winsituatie lijkt mogelijk: wetenschap en samenleving zouden beide kunnen profiteren. Hier ligt een schone taak voor de oemma van Nederlandse islamonderzoekers, waarin Gods barmhartigheid zich steeds opnieuw manifesteert in onderlinge meningsverschillen.
Léon Buskens is hoogleraar Recht en cultuur in Islamitische samenlevingen aan de Universiteit Leiden, en directeur van LUCIS (Leiden University Centre for the Study of Islam and Society) en van ISIS (Interuniversitair Samenwerkingsverband Islam Studies).
1/ Zie bijvoorbeeld de bijdragen in het themanummer van Sharqiyyāt 15, 2003, no. 1-2, ‘25 jaar Midden-Oosten- en islamstudies in Nederland en de MOI’ verschenen ter gelegenheid van het het vijfentwintigjarig bestaan van de MOI; en Léon Buskens, ‘Vanishing Orientalism in Leiden’ in: ISIM Review no. 18, 2006, pag. 44-45.
2/ De MOI toonde als kritische vereniging voor Midden-Oostenstudies al vroeg belangstelling voor deze kwestie door Maxime Rodinson in 1976 uit te nodigen voor een voordracht die vervolgens verscheen onder de titel La fascination de l’islam. Étapes du regard occidental sur le monde musulman als MOI bundel nummer 2 (in 1978). Een herziene en uitgebreide versie verscheen in 1981 te Parijs bij François Maspero. Na eerste aanzetten tot een kritische geschiedschrijving van de islamwetenschap door Jacques Waardenburg in diens proefschrift L’ Islam dans le miroir de l’Occident, Den Haag & Parijs, 1963, tweede editie, verbreidde Peter van der Veer het blijde nieuws van de oriëntalisme-kritiek uit de Verenigde Staten in zijn bundel Modern oriëntalisme. Essays over de westerse beschavingsdrang, Amsterdam, 1995. Leiden leek enige tijd de voorkeur te geven aan het werk van Bernard Lewis, maar dankzij de inspanningen van Pieter Sjoerd van Koningsveld kon Edward Said ten slotte toch voor een select gezelschap een indrukwekkende voordracht houden. Van Koningsveld publiceerde, deels samen met Wasif Shadid, een reeks van studies over de representatie van de Islam, zowel in verleden als heden. Voor een overzicht, met verdere verwijzingen, zie hoofdstuk 1, ‘Westerse beeldvorming over de islam’, in P.S. van Koningsveld, Sprekend over de islam en de moderne tijd, Utrecht / Amsterdam, 1993.
3. Zie voor een overzicht van de Nederlandse bijdragen aan de antropologie van Moslimse samenlevingen het artikel van Léon Buskens & Ruud Strijp, ‘Antropologische studies in het Midden-Oosten en van de islam: een overzicht van 25 jaar onderzoek in Nederland’, in genoemd jubileumnummer van Sharqiyyāt 15(2003) no. 1-2, pag. 149-198.
4. Ook het vroege werk van Lewis ontsnapt niet aan kritiek, zoals bij voorbeeld bleek uit de oratie die Erik-Jan Zürcher bij zijn aantree als hoogleraar Turks aan de Universiteit Leiden hield, Opkomst en ondergang van het ‘moderne’ Turkije (Leiden: Onderzoeksschool CNWS; 1998). Zürcher gaf hierin een kritische beschouwing over een van Lewis beroemdste boeken, The Emergence of Modern Turkey (1961).
5. Zie hierover bij voorbeeld Ian Buruma & Avishai Margalit, Occidentalism. A Short History of Anti-Westernism, New York, 2004; en Robbert Woltering, Occidentalisms. Images of ‘the West’ in Egypt, Leiden: proefschrift, 2009.
6. Een indrukwekkend overzicht van de Nederlandse koloniale Islamstudie met een verhelderende inleiding bieden B.J. Boland & I. Farjon; Islam in Indonesia. A Bibliographical Survey 1600-1942 with post-1945 Addenda, Dordrecht, 1983. Zie voor een specifiek onderzoek naar het ontstaan van de studie van het Islamitisch recht in Nederland: Léon Buskens, ‘Twee negentiende eeuwse ontdekkers van het Islamitisch recht te Delft. Een begin van het debat over theorie en praktijk’, in: Paulien van der Grinten & Ton Heukels (red.); Crossing Borders. Essays in European and Private International Law, Nationality Law and Islamic Law in Honour of Frans van der Velden, Deventer, 2005, pag. 153-171 + bibliografie.
7. Zie hierover bij voorbeeld Pieter Sjoerd van Koningsveld, Snouck Hurgronje en de Islam. Acht artikelen over leven en werk van een oriëntalist uit het koloniale tijdperk, Leiden: Documentatiebureau Islam-Christendom, 1987; en de inleiding van Jan Just Witkam bij diens Nederlandse vertaling van Christiaan Snouck Hurgronje’s Mekka in de tweede helft van de negentiende eeuw. Schetsen uit het dagelijks leven, (Amsterdam / Antwerpen, 2007.
8. Een belangrijke bezinning op antropologische representatie van Islam biedt Daniel M. Varisco, Islam Obscured. The Rhetoric of Anthropological Representation, New York, 2005.
9. Mirjam Shatanawi, Islam in beeld. Kunst en cultuur van moslims wereldwijd, Amsterdam, 2009.